Rijden in de winter: wat staat hierover in de wegcode?

Sneeuw en ijzel hebben een invloed op het verkeer. Een gebrek aan grip op de weg, beperkte zichtbaarheid, slechte wegen, onaangepast rijgedrag... In de wegcode staan verschillende bepalingen die de risico's in dergelijke situaties moeten beperken.

Een goede uitrusting voor meer veiligheid

In tegenstelling tot andere landen heeft België geen bijzondere regels wat de uitrusting voor winterse situaties (ijzel, sneeuwophopingen, smeltende sneeuw of ijzelplekken) betreft. U kan sneeuwkettingen opleggen, maar banden met spikes zijn verboden, behoudens toestemming van de minister van Verkeer en als de weerstoestand het rechtvaardigt (art. 81.4.4 van de wegcode).

In het Groothertogdom Luxemburg bijvoorbeeld mag u in die omstandigheden enkel met een gemotoriseerd voertuig de weg op als er winterbanden gemonteerd zijn. Bij vrachtwagens, bussen en autocars moeten enkel de aangedreven assen van winterbanden zijn voorzien. Hetzelfde geldt voor motorhomes met een maximale toegelaten massa van meer dan 3500 kg. Deze bepalingen:
• zijn van toepassing op alle bestuurders zonder onderscheid van het land van inschrijving van het voertuig waar zij mee rijden;
• zijn niet van toepassing op voertuigen die stilstaan of geparkeerd zijn op de openbare weg.

Een goede zichtbaarheid in alle weersomstandigheden

Onze wegcode bevat ook interessante bepalingen over het gebruik van de lichten, als de zichtbaarheid beperkt is door hevige sneeuwval. Kruislichten moeten aangestoken worden als de zichtbaarheid minder dan 200 m bedraagt (art. 30.1.1).

De achtermistlichten zijn verplicht van zodra de zichtbaarheid minder dan 100 m bedraagt (art. 30.1.2) terwijl het gebruik van de voormistlichten uitdrukkelijk toegelaten is in geval van sneeuwval (art. 30.1.1). Als de neerslag dermate hevig is dat de zichtbaarheid tot enkele meters beperkt is, is het aangewezen om de wagen langs de kant van de weg te zetten en een weersverbetering af te wachten.

Wat te doen als de wagen geïmmobiliseerd is?

Of het nu het gevolg is van een ongeval of de toestand van de weg, soms staat men geblokkeerd op de rijbaan. In dat geval moet de bestuurder van de wagen, in navolging van de artikels 51 en 52 van de wegcode, de nodige maatregelen nemen om de veiligheid en de vlotheid van het verkeer te garanderen. Enkel als er lichamelijk letsel is (art. 52) of het als het voertuig niet kan verplaatst worden, dan mag het voertuig ter plaatse blijven. De bestuurder moet dan wel alle nodige maatregelen treffen om verdere ongevallen te voorkomen.

In elk geval moet de bestuurder de aanwezigheid van het voertuig aan de andere bestuurders signaleren, ten minste door het plaatsen van een gevarendriehoek, en dit in afwachting van een takelwagen of de politie. De wagen mag in geen geval ter plaatse achtergelaten worden.

Een verantwoorde en aangepaste rijstijl

Verschillende regels bepalen het gedrag dat elke bestuurder moet volgen in om het even welke omstandigheid. Een eerste vereiste is dat hij in staat moet zijn om te sturen, de nodige fysieke eigenschappen moet bezitten en de nodige kennis en vaardigheden moet hebben, zowel technisch als theoretisch.

Hij moet overigens te allen tijden in staat zijn om alle nodige manoeuvres uit te voeren en constant de controle te behouden over het voertuig dat hij bestuurt. De bestuurder wiens voertuig slipt en daardoor dwars op de rijbaan terechtkomt, begaat een inbreuk op deze regel. Hij is immers de controle over zijn voertuig kwijt.

Een andere vereiste is verplichting om zijn snelheid aan te passen aan de weersomstandigheden en de toestand van de weg, om ten allen tijden in staat te zijn om te stoppen voor een voorzienbare hindernis.

(bron: Secunews; foto: Pixabay)

Site by Ramdesign